1892 - 1944

Gereformeerde Kerk Sliedrecht

Het jaar 1892 is in de vaderlandse kerkgeschiedenis een bijzonder jaar. De kerken, ontstaan uit de Doleantie (1886) en de kerk ontstaan uit de Afscheiding (1834) gaan samen onder een nieuwe naam de Gereformeerde kerk in Nederland. Op 11 juli 1892 besluit de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Sliedrecht dit besluit te volgen, zodat vanaf die datum wordt gesproken over de Gereformeerde Kerk te Sliedrecht. Plaatselijk heeft dit overigens geen gevolgen omdat er in Sliedrecht geen Doleantie heeft plaatsgevonden. Wel is er een conflict in de Hervormde Gemeente. Hierdoor is de Bethelkerk ontstaan.

Dat er in die tijd geen overschot aan predikanten is, blijkt uit de verschillende beroepen die Ds. Esselink ontvangt. Tot twee maal toe wordt hij in Zierikzee beroepen. Na ruim 6 jaar Sliedrecht gediend te hebben vertrekt hij op 26 april 1896 naar Zierikzee.

Vervolgens wordt de gemeente gediend door ds. J. van den Berg (1896-1902).

Zondag 10 oktober 1903 doet ds. C.J Bos zijn intrede in Sliedrecht, zijn intrededienst staat in het teken van 1 Thess. 5 : 25 “Broeders, bidt voor ons“. In de periode “Bos” komt het spanningsveld over de wijze van uitleg (preek) weer meer aan de orde. Populair gezegd het spanningsveld tussen “licht en zwaar”. De “toepassing” is bij de preken van ds. Bos volgens verschillende leden te mager. Het begrip toepassing (bevinding) vereist enige uitleg. Het betekent o.a. het persoonlijk spreken van hart tot hart of men “er al deel aan heeft”. In de notulen wordt gesproken dat door ds. Bos “de nadruk niet genoeg gelegd werd op de doodstaat van den zondaar opdat vrije genade des te heerlijker zou uitkomen”

De twaalfde predikant sinds 1853 komt op 2 mei 1909, ds. R. v.d. Kamp uit Axel en hij is 51 jaar. Al op vrijdagavond 30 april 1909 gaat hij voor in een bijzondere dankdienst. H.M. Koningin Wilhelmina, schenkt op die dag nl. het leven aan een dochtertje: Prinses Juliana. Omdat de nieuwe predikant dan al in Sliedrecht is, voldoet hij aan het verzoek deze dienst te leiden. Hij spreekt naar aanleiding van Ps. 72 : 1. Ds. v.d. Kamp stelt dat het huisbezoek goed tot zijn recht zal komen, als elk gezin ten minste twee maal per jaar bezocht wordt. Bij elk bezoek is het nodig de volgende vragen te stellen:

  • 1. Bezoeken de leden van het gezin getrouw de kerkdienst?
  • 2. Gaat men getrouw aan het Heilig Avondmaal?
  • 3. Indien er kinderen zijn, gaan ze ter catechisatie?
  • 4. Zijn er zaken, die niet in orde zijn, onverzoenlijke betrekkingen tot leden der gemeente?
  • 5. enz. enz.

Om het gemeenteleven te bevorderen, wordt in januari 1910 besloten om tot uitgave van een eigen kerkblaadje te komen. De oplaag wordt begroot op 150 exemplaren tegen 3 cent per stuk. Het zal de naam “De Banier” dragen. De redactie bestaat uit: ds v.d. Kamp, en de broeders Kalis en van Neutegem. Maar helaas, “De Banier” heeft maar zes weken „gewaaid‟. Het blad blijkt niet aan te slaan in de gemeente. De burgerlijke gemeente geeft op een bijzondere manier blijken van meeleven. Ds. v.d. Kamp vraagt in december 1910 aan de kerkenraad hoe te handelen met briefjes, die hij wekelijks ontvangt van de politie. Deze vermelden de namen van personen, “welke doelloos des zondagsavonds in de kerkbuurt rondlopen, hetgeen voor de zondagsrust niet bevorderlijk is”.

Ook de rust rondom ds v.d. Kamp is van korte duur. Hij ontvangt verschillende beroepen, waaronder Breukelen. Zondag 9 juni 1912 deelt de predikant mee, dat hij het beroep naar Breukelen heeft aangenomen. Na 3 jaar Sliedrecht te hebben gediend,vertrekt hij op 28 juli 1912.

Ds. A. van Dijk doet intrede op 24 augustus 1913. Hij overlijdt op 15 januari 1916.

Vervolgens dient ds. A. Schippers de gemeente van 1917 tot 1922. Er zijn al weer plannen om een nieuw kerkgebouw te bouwen. Uit een rondgang door de gemeente in maart 1922 blijkt een bedrag van Hfl. 10.000 te zijn toegezegd. Daarom wordt besloten een architect te zoeken om een ontwerp te maken voor een nieuwe kerk.

Ds. Schippers wordt in 1923 opgevolgd door ds. P.A. Zeilstra. In 1924 wordt besloten om een verwarming in de kerk aan te leggen. Het stoventijdperk is ten einde. De vrouw van ds. Zeilstra overlijdt in 1929 op 40-jarige leeftijd en wordt in Sliedrecht begraven. Haar grafmonument is nog aanwezig op de algemene begraafplaats. Ds. Zeilstra leidt ook ouderavonden in van de Gereformeerde School, waar de heer Hakkenes dan net hoofd der school is geworden.

Ondertussen geeft de kerkenraad in augustus 1928 aan de Commissie van Administratie opdracht om optie te nemen op een terrein groot plm. 1000 m2, gelegen aan de Oranjestraat – Middeldiepstraat, teneinde daar een nieuwe kerk te bouwen. Zo is dan na vele jaren wikken en wegen de eerste daadwerkelijke stap gezet op weg naar nieuwbouw. Verschillende architecten worden aangeschreven om een ontwerp te maken. Het grondmotief van het kerkgebouw moet kruisvormig zijn. Het aantal zitplaatsen moet plm. 600 bedragen. Vergaderlokalen en een kosterswoning mogen niet ontbreken. De bouwsom zal, inclusief centrale verwarming, verlichting, meubilair, architectenhonorarium en toezicht, het bedrag van 60.000 gulden niet te boven mogen gaan. Na veel overleg tussen verschillende commissies wordt als architect aangewezen de heer Lengkeek te Rotterdam. Op donderdag 27 februari 1930 is er gemeentevergadering, waarin ook de architect aanwezig is. Aan de hand van een model van de nieuw te bouwen kerk, geeft hij uitvoerige inlichtingen. De vergadering is enthousiast. Men roemt dit ontwerp en een ieder is van mening dat de Gereformeerde Kerk van Sliedrecht zulk een gebouw moet hebben.

Ds. Zeilstra ontvangt in deze periode een beroep naar Middelharnis. Na 7 jaar de gemeente gediend te hebben neemt hij deze roeping aan. Op 7 december 1930 wordt door hem afscheid genomen van Sliedrecht.

De eerste nieuwe predikant in het nieuwe kerkgebouw wordt Ds. J.W. van Tol. Hij wordt de predikant die de gemeente het langst dient. Kort nadat de kerk in gebruik is genomen, wordt bericht ontvangen dat genoemde predikant het beroep heeft aangenomen. Op 17 april 1932 doet deze 34-jarige dienaar des Woords zijn intrede. Door de Generale Synode in 1933 wordt de gezangenbundel van 29 liederen goedgekeurd. Dit wordt echter door de kerkenraad niet meteen in dank aanvaard, zodat besloten wordt er voorlopig van af te zien, met uitzondering van het “Ere zij God”. Wel wordt overgegaan tot uitgave van een kerkblad. Het eerste nummer verschijnt op 4 november 1934, is gedrukt in de oude spelling en kost Hfl. 0,25 cent per kwartaal.

Dat de crisistijd ook zijn weerslag heeft in het kerkelijke leven, wordt duidelijk als men over moet gaan tot traktementsverlaging en andere bezuinigingen. Het is ook crisistijd voor aankomende predikanten. De Generale Synode heeft een commissie benoemd om een fonds te stichten om “werkloze” kandidaten te ondersteunen. Plaatselijke kerken kunnen daar een beroep op doen, zodat dan samen de onkosten gedragen worden. Kandidaten worden voorts als hulpprediker aangesteld.

Zo heeft de gemeente verschillende hulppredikers gekend, te weten:

  • 1. van 15 december 1936 tot 1 oktober 1937 – kandidaat G. Spijker
  • 2. van 1 oktober 1937 tot 31 december 1942 – kandidaat J.B. Welmers
  • 3. van 1 februari 1943 tot 15 oktober 1943 – kandidaat F. Kouwenhoven
  • 4. van 15 juni 1944 tot 15augustus 1945 – kandidaat E.J. Nijhuis

Zij worden ingezet voor de evangelisatie en gewoon pastoraal werk, maar ze zijn “hulpjes” en geen ambtsdragers. Ook zijn ze niet op de kerkenraadsvergaderingen aanwezig, zodat deze mensen – die weliswaar ambtswerk verrichten – niet als zodanig worden behandeld.

Als op 10 mei 1940 de oorlog uitbreekt, is dat in veel zaken merkbaar. Op 11 juni 1940 maakt de diaconie de opbrengst van de extra collecte bekend voor hulpverlening van het gebombardeerde Rotterdam: Hfl. 473,25. Daar vele levensmiddelen gedistribueerd worden moet men broodbonnen aanvragen voor de viering van het Heilig Avondmaal. De luchtbeschermingsdienst is gestationeerd in de kerktoren van de kerk. Zomer 1940 heeft de Duitse Weermacht de vergaderlokalen achter de kerk bezet, wat niet bevorderlijk is voor het kerkelijk leven. Na overleg met de Burgemeester en de bezetters wordt eind september de bezetting opgeheven.

De Kerkelijke stand per 1 januari 1941 bedraagt 494 doopleden en 508 belijdende leden. Door de Generale Synode van 1933 zijn er 29 gezangen vrijgegeven om te zingen tijdens de eredienst. Pas op 4 november 1942 besluit de kerkenraad met algemene stemmen tot invoering van de bundel van 29 gezangen. Betreurenswaardig is dat moet worden vermeld dat het voorspel van de kerkscheuring in 1944/1945 in de oorlogsjaren steeds scherper naar voren komt.

Op 2 februari 1944 wordt een spoedvergadering belegd in verband met de evacuatie van een gedeelte van Zeeland en de Hoekse Waard. De kerkenraad is van mening dat de slachtoffers hulp aangeboden dient te worden. Daarom wordt in februari 1944 vanaf de kansel gevraagd welke gezinnen er bereid zijn mensen in huis te nemen. De kerkenraad is van mening dat zo veel mogelijk gezinnen uit één gemeente afkomstig moeten zijn; dit om verbrokkeling te voorkomen. Er is contact met de kerk van Scharendijke, de vorige gemeente van ds. Van Tol. Een deel van die gemeente komt naar Sliedrecht.

Maar de onrust in de kerk blijft. Het is voor iemand, die dit niet heeft meegemaakt, onbegrijpelijk. In de donkerste dagen van de oorlog twisten christenen met elkaar. Vanaf begin 1944 t/m april 1945 worden alle kerkenraadsvergaderingen hierdoor beheerst. Dit terwijl buiten de kerk verschillende vijanden toeslaan, te weten: razzia’s, strenge winter, hongersnood en bombardementen. Op 1 januari 1945 wordt het kleuterschooltje naast de kerk getroffen door een voltreffer. Op 10 april 1945 worden vier bezwaarde ambtsdragers voorlopig geschorst op scheurmaking.